Home Artikelen SER Bulletin Verantwoord ketenbeheer:een zaak van lange adem

Verantwoord ketenbeheer:een zaak van lange adem

Bedrijven willen zich meer inzetten voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Niet alleen bij de productie in eigen land, maar ook bij de inkoop van producten en grondstoffen in het buitenland. Dat heet duurzaam ketenbeheer. De SER belegde er in april 2009 een seminar over.


Tijdens het seminar over Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen zag staatssecretaris Frank Heemskerk de hele 'MVO-kliek', zoals hij het noemde, aandachtig luisteren in de Raadzaal van het SER-gebouw. Multinationals als Philips, Unilever en Shell waren aanwezig. Maar ook afgevaardigden van het Productschap Tuinbouw, Modint en de Koninklijke VNP. Zowel grote bedrijven als steeds meer branches denken na over hoe ze een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de omstandigheden waaronder hun producten worden gemaakt. Niet alleen door minder grondstoffen te verbruiken en zuinig om te gaan met energie. Maar ook hoe ze de arbeidsomstandigheden in fabrieken in ontwikkelingslanden kunnen verbeteren. Ondanks alle initiatieven van de laatste jaren, vraagt Heemskerk zich af hoe de olievlek zich kan uitbreiden buiten de in de zaal aanwezige ‘bekeerden’ die inmiddels het belang van duurzaamheid beseffen.
Tja, waarom worden er wel snel miljarden gevonden om financiële instellingen te redden die door eigen toedoen ten onder dreigen te gaan, maar geen snelle oplossingen om beter om te gaan met onze planeet en de mensen die er op wonen? Die terechte vraag stelt journaliste Marleen Janssen Groesbeek in haar boek ‘Duurzamer ondernemen’*. Zij pleit voor een duurzame revolutie. Misschien moeten bedrijven die er in 2010 niet in zijn geslaagd om minstens de helft van de omzet uit duurzame producten te halen, maar eens de helft van hun winst gaan inleveren, stelt ze voor.

Dat zou de druk wel opvoeren, maar een haalbare eis is het niet. Duurzaam ondernemen is en blijft een ingewikkeld proces van veel overleg tussen uiteenlopende partijen als bedrijven, (lokale) overheden, NGOs, vakbonden en ondernemersorganisaties. Kunnen die over milieunormen misschien nog wel snel overeenstemming bereiken, als het gaat om fatsoenlijke arbeidsomstandigheden lopen ze tegen veel dilemma’s aan.

 

Wanneer is er immers sprake van kinderarbeid? In Nederland helpen kinderen toch ook mee op de boerderij? En mensen in China willen toch zelf graag zo hard werken om veel geld te verdienen? Dat soort argumenten krijgt MVO Nederland nog wel eens te horen van ondernemers die nog niet zijn bekeerd tot 'duurzaam ondernemen'. Ondernemers vinden het bovendien lastig om te weten welke regels ze moeten naleven om te vermijden dat Amnesty International bij hen op de stoep staat. En als ze de regels al weten, dan blijft controle op naleving van die regels in een ver land een grote uitdaging.

 

Wellicht kunnen de overkoepelende ISO-richtlijnen een oplossing bieden door orde te scheppen in het dichte woud van bestaande richtlijnen en regelgeving. De International Organization for Standardization (ISO) besloot vier jaar geleden de ISO 26000 Guidance on Social Responsibility op te stellen. Richtlijnen als die van de ILO, de OESO en de GRI zijn hier allemaal in opgenomen en verdeeld over zeven aandachtsgebieden; Milieu, mensenrechten, arbeidsomstandigheden, goed bestuur, consumenten en maatschappelijke betrokkenheid.

 

Het doel van deze internationale richtlijn is om organisaties te ondersteunen bij de invoering van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Overigens plaatst de organisatie wel een kanttekening als het gaat om verantwoord ketenbeheer: Een kleine Westerse onderneming kan geen eisen op het gebied van mensenrechten en milieu stellen aan een grote toeleverancier. Andersom kan dat natuurlijk wel. Een grote onderneming kan zelfs eisen stellen aan de toelevereranciers van hun eigen toeleverancier.

 

Gerard Oonk, directeur van Landelijke India Werkgroep (LIW), vindt al langer dat Westerse bedrijven hun verantwoordellijkheid moeten nemen in landen waar ze zo goedkoop hun producten vandaan halen. “Vaak voldoet een hoofdvestiging van een Westerse onderneming wel aan allerlei MVO criteria, maar niet de bedrijven waar ze hun producten inkopen.

 

Oonk, wiens organisatie actief lid is van de Schone Kleren Campagne die arbeidsomstandigheden bij toeleveranciers in de kledingindustrie aan de kaak stelt, is dan ook blij dat de SER zich uitspreekt over verantwoord ketenbeheer. Dat de SER-verklaring geheel gebaseerd is op zelfregulering, stemt hem minder tevreden. “Internationale arbeidsnormen zijn nu al niet vrijwillig. Wat mij betreft komt er een situatie waarbij slachtoffers daadwerkelijk een bedrijf kunnen aanklagen als ze jarenlang onder het wettelijk vastgestelde minimumloon betaald hebben gekregen. Ik denk dat bedrijven daardoor sneller verbeteringen in de keten doorvoeren. Al verwacht ik ook niet dat alle misstanden van vandaag op morgen zijn opgelost. Maar het zou vertrouwen wekken als bedrijven laten zien wat ze doen aan de arbeidsomstandigheden in de keten.

 

Hans Hofmeijer, als voormalig hoofd multinational enterprises bij het ILO nauw betrokken bij verantwoord ketenbeheer, is optimistisch gestemd over de vorderingen op sociaal gebied. Hij constateert eensgezindheid bij landen als het gaat om het uitbannen van kinderarbeid, dwangarbeid, te lange werkdagen en te lage lonen. Op overheidsniveau blijft er wat hem betreft een heikel punt over; de vrijheid van vakvereniging. "Met name in Latijns Amerikaanse en Aziatische landen bestaat er een lange traditie dat werkgevers erg negatief zijn over werknemers,” aldus Hofmeijer. “Een vakbond vinden ze maar lastig, die stelt allemaal eisen. En ondernemers hebben grote invloed op de wetgeving in die landen."

 

Hofmeijer vindt het goed dat Nederlandse bedrijven tegenwoordig aan bepaalde MVO criteria moeten voldoen om in aanmerking te komen voor export krediet. Maar volgens hem moet IMVO geen al te verplichtend karakter krijgen. "Als Nederland als enige in Europa allerlei verplichtingen oplegt aan bedrijven, dan verschuiven ze hun hoofdkantoor naar een minder streng land."

 

Wel zouden bedrijven er volgens Hofmeijer goed aan doen om zich beter op de hoogte te stellen van de lokale wetgeving waar toeleveranciers onder vallen.  “Westerse bedrijven doen alsof ze de lokale wetgeving kennen. Maar dat is niet zo. Door samen te werken met lokale instanties als de Kamer van Koophandel of lokale ondernemersverenigingen kunnen ze nog veel winst boeken."

 

Ook Oonk benadrukt het belang van samenwerking met lokale organisaties om misstanden te verbeteren. Hij duidt daarbij zowel op NGOs die er voor kunnen zorgen dat kinderen naar school gaan als ze niet meer mogen werken, als op overheden die naleving van arbeidswetten controleren. “In de Indiase deelstaat Andhra Pradesh gaan tegenwoordig veel meer kinderen naar school dan vroeger. Verantwoord ketenbeheer kan dat proces versnellen.”

 

*Duurzamer ondernemen, Marleen Janssen Groesbeek. Uitgever: Business Contact, prijs € 27,90

 

 

Kaders

IMVO in de praktijk

 

Philips

Philips won in 2007 de VBDO Verantwoord Ketenbeheer Award. Een mooie opsteker voor Jan Roodenburg, Senior Vice-President Supplier Development & Sustainability. Om invulling te geven aan het duurzaamheidsbeleid richting de toeleveranciers, werkt Philips nauw samen met andere bedrijven in de electronica industrie zoals HP, Dell en IBM, vertelt Roodenburg. “Op die manier creëert de sector volume en kunnen we meer invloed uitoefenen in onze eisen aan toeleveranciers.

Philips inventariseerde de landen met het hoogste risico op misstanden op het gebied van milieu en sociale aspecten als arbeidsrecht, gezondheid, veiligheid en ethiek. Bij leveranciers in de meest risicovolle landen waar het bedrijf meer dan 100.000 euro omzet, worden audits gehouden. Op een totaal van 20.000 leveranciers gebeurt dat uiteindelijk bij ongeveer 1000 toeleveranciers, veelal in China, Thailand, Vietnam, Mexico en Brazilië.

De toeleverancier betaalt zelf de kosten voor een audit. Maar volgens Roodenburg bedragen die kosten maximaal 2.000 dollar. “Dat is voor geen enkele toeleverancier een probleem. Het echt lastige is om na een audit bepaalde onderwerpen daadwerkelijk aan te pakken. In China werken mensen vaak zeven dagen per week in de fabriek. Volgens ILO normen mogen ze hooguit zes dagen werken. De fabrieksdirecteur moet die situatie veranderen. Dat vergt een enorme inspanning. Om dit soort veranderingen te bereiken, gaan we vanuit de hele electronicasector de dialoog aan met de Chinese overheid. 

Philips wil ook dieper in de keten van toeleveranciers dingen veranderen. Zodra een toeleverancier een contract bij ons heeft, tonen ze zich heel welwillend om op onze eisen in te gaan. Daar maken we gebruik van door ook aan hun eigen toeleveranciers eisen op te leggen. Maar het gaat allemaal stap voor stap. Ik verwacht dat we hier over vijftien jaar nog steeds achter aan moeten zitten. 

 

 

Cora Kemperman

Toen Gloria Kok, directeur van modebedrijf Cora Kemperman, tien jaar geleden in een Indiase fabriek een glas water liet staan, zat daar aan het eind van de dag een centimeter rode verfstof in het glas. Zo vervuild was het water uit de kraan. Dat is nu verleden tijd, tenminste in de streek Tamil Nadu in Zuid India waar de fabrieken staan waar Kok zaken mee doet.

We zijn twaalf jaar geleden gestart met certificering van de fabrieken opdat ze zouden voldoen aan onze eisen op sociaal- en milieu gebied. Het hele proces nam vijf jaar in beslag,” vertelt Kok. “Verder werken we zoveel mogelijk met ecologisch gecertificeerde ververijen en kopen biologische katoen in.”

Kok merkt dat er in India in de afgelopen jaren veel vooruitgang is geboekt op milieu en sociaal gebied. India scherpte de wetgeving aan en er vinden strengere controles plaats op naleving van die wetgeving. Ook onder druk van Amerikaanse bedrijven, NGOs en consumenten letten exporteurs er steeds meer op of hun producten verantwoord zijn geproduceerd.

Ondanks alle vooruitgang kan er nog veel verbeteren. Kok betreurt vooral de positie van vakbonden in India. “In India is de vakvereniging totaal verziekt. Vakbonden komen er niet op voor de rechten van werknemers. Ze worden afgekocht door werkgevers. Het is mijn droom dat er in de stad Tirupur bij het busstation waar 's middags grote drommen mensen de bus naar huis nemen, een kantoor komt waar werknemers met hun klachten terecht kunnen. Een soort ombudsman die misstanden aan de kaak stelt. Wij hebben geprobeerd zoiets op te zetten met een lokale organisatie. Maar de man die er zat werd fysiek bedreigd. Het zou goed zijn als internationale vakverenigingen iets doen aan deze situatie.”

 

 

RMP Grafmonumenten

Bert Reubsaet startte twaalf jaar geleden met RMP Grafmonumenten. In 2000 bracht hij de productie over naar India en ging hij ter plekke op de motor bedrijven langs die hem graniet konden leveren. Waar andere importeurs zochten naar de goedkoopst mogelijk prijs, speurde Ruebsaet naar bedrijven om een langdurige relatie mee aan te gaan. “Wij ontwerpen en tekenen de grafmonumenten samen met de klant. De mensen in India die het werk uitvoeren, zijn echte vakmensen. We investeren veel in hun opleiding en arbeidsomstandigheden. Al die inspanningen maakt onze monumenten een kwart duurder dan de gemiddelde grafsteen. Maar dan krijg je wel een totaal ander product. Ik merk dat klanten, als ze bewust zijn van wat er allemaal bij de productie komt kijken, best bereid zijn die hogere prijs te betalen. Kijk, als je een t-shirt van vijf euro koopt, weet je toch gewoon dat het niet op een verantwoorde manier geproduceerd kan zijn.”

Wat betreft arbeidsomstandigheden bij de eigen toeleveranciers is er het nodige verbeterd. Maar Ruebsaet gaat verder. Anderhalf jaar geleden riep hij de eigenaren van steengroeven waar hij materialen van betrekt bij elkaar en legde hen het begrip ketenverantwoordelijkheid’ uit. “Ik wil dat de steengroeven zich aan bepaalde spelregels houden. Dat houdt onder andere een verbod op kinderarbeid in en altijd de arbeidsinspectie toelaten, ook al komt die onaangekondigd. Maar in India zijn bepaalde dingen nou eenmaal gebruikelijk waar wij echt van op kijken. In plaats van veiligheidsschoenen, dragen mensen er slippers als ze machines bedienen. Dichte schoenen vinden ze veel te warm. Bovendien hebben Indiërs met blote voeten meer grip dan met veiligheidsschoenen. Dat maakt het ingewikkeld om onze Nederlandse normen op te leggen. Oplossingen moeten we dan ook altijd toespitsen op de lokale situatie.”

 

 

....

 

 

 

 

 


....

 

 

x

Doorzoek website