Home Artikelen SER Bulletin 'Mijn inspiratie komt voort uit irritatie'

'Mijn inspiratie komt voort uit irritatie'

Publicatiedatum: november 2007

Sywert van Lienden (17)
 
Het is herfstvakantie, maar uitslapen kan Sywert van Lienden niet. De middelbare scholier is onderweg naar Amsterdam voor een vergadering van het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS). Op station Utrecht neemt hij even de tijd voor een interview over het jongerenpanel van de SER.

Vol vaart steekt de 17-jarige Van Lienden van wal over zijn snelle ‘carrière’ in bestuurlijk Nederland. Hij mag dan in het vijfde van het vwo zitten, waar hij examen wil doen in 13 vakken, maar lessen volgen, doet hij niet. Toetsen bereidt hij zelfstandig voor. Vanwege zijn voorzitterschap van het LAKS, dat hem naar eigen zeggen meer dan veertig uur per week kost, kwam hij in aanmerking voor vrijstelling van de leerplicht.

Van Lienden is een uiterst bezig baasje. Hij zit niet alleen in het LAKS en het SER-jongerenpanel, maar ook in een adviescommissie van de VO-Raad, de Stichting Geschillencommissies Onderwijs, de leerlingenraad en de medezeggenschapsraad van zijn school.

“Mijn inspiratie komt voort uit irritatie”, zegt Van Lienden, die in de tweede klas van het gymnasium naar de havo werd gestuurd. “Dat gymnasium bood me onvoldoende uitdaging. Ik was boos op het schoolbestuur, vond de docenten niet goed genoeg. Toen bedacht ik: ik kan maar beter proberen vanuit mijn boosheid dingen te veranderen.”

Via de leerlingenraad en de medezeggenschapsraad van zijn school kwam Van Lienden in aanraking met het LAKS. Vorig jaar december werd hij gekozen als algemeen bestuurslid en in het voorjaar kreeg hij de functie van voorzitter. Het drukke leven als bestuurder bevalt hem goed, eindelijk ervaart hij voldoende uitdaging. “Ik vind het leuk dat ik mee kan praten als ervaringsdeskundige. Ik kan me nu optrekken aan mensen die jarenlang hebben gestudeerd op de problematiek van het onderwijs.”

Van Lienden benadrukt dat hij naast alle serieuze activiteiten er ook nog een sociaal leven op na houdt. Zo speelt hij onder andere elke zaterdag nog hockey. De trainingen doordeweeks schieten er vaak wel bij in, evenals familieverplichtingen. “Mijn moeder is best trots op wat ik allemaal doe, maar ze vindt het niet helemaal normaal. Mijn familie neemt het me ook niet in dank af als ik op zondagavond weer niet bij het eten ben.”

Mede door het jongerenpanel steekt hij veel op over hoe Nederland wordt bestuurd. “Ik gaf altijd af op het poldermodel, maar nu ervaar ik zelf hoe goed het overleg tussen werknemers en werkgevers kan uitpakken. Volgens mij was een van de doelen van de SER ook om bij jongeren vertrouwen te wekken in Nederlandse instituties.”

In het debat over de maatschappelijke stage, waar het panel zich de afgelopen maanden mee bezighield, probeert Van Lienden zoveel mogelijk op te komen voor de belangen van scholieren. “In discussies hoor ik andere panelleden soms aannames maken die helemaal niet kloppen. Omdat ik de enige ben die nog op school zit, kan ik heel goed uitleggen wat termen als ‘onderwijstijd’ en ‘studielasturen’ in de praktijk betekenen.”

Het advies dat deze maand komt, noemt hij niet wereldschokkend. “Het is een logisch advies dat rekening houdt met de wensen van werkgevers en werknemers. Voor werkgevers staat voorop dat de stage zinvol moet zijn, zowel voor de ontvangende organisatie als voor de leerling. Werknemers hechten vooral belang aan een goede begeleiding van docenten.”

Het onafhankelijke panellid mist echter informatie over de financiering van de plannen die het jongerenpanel voorstelt. “Wij kunnen niet inschatten of de 100 miljoen euro die het ministerie van Onderwijs wil uittrekken, voldoende is om al onze plannen uit te voeren. Dat vind ik jammer.”

Bovendien had Van Lienden graag een vergaande visie willen inbrengen over welke richting het onderwijs in Nederland op moet gaan. “Onderwijs wordt steeds breder, mede door de aandacht voor de maatschappelijke stage. Dat betekent een verzwaring van de lasten van een docent. Ik vind de maatschappelijke stage belangrijk, maar ik zou ook graag zien dat we eens kijken naar vakinhoudelijke verbeteringen in het onderwijs.”

In november volgt een evaluatie van het jongerenpanel. Van Lienden verwacht dat het panel, dat een jong geluid binnen de SER laat horen, een vervolg krijgt. Of hij er weer zitting in zal nemen, weet hij niet. “Er zal een nieuwe sollicitatieronde komen. Mijn deelname heb ik dus niet in eigen hand. Volgend jaar wil ik sowieso meer tijd besteden aan school om mijn vwo-diploma te halen. Ik wil hoge cijfers zodat ik naar een beroemde universiteit kan. Ik zou graag politiek, filosofie en economie gaan studeren op Oxford University.”

Tamim Chébti (27)
 
Tamim Chébti is vicevoorzitter en woordvoerder van het jongerenpanel. De 27-jarige bedrijfskundige heeft altijd al een sterke maatschappelijke betrokkenheid gehad. Door mee te denken over maatschappelijke onderwerpen wil hij iets terug doen voor de maatschappij die het hem mogelijk maakte te studeren.

Via de meao en het hbo kwam Chébti op de Erasmus Universiteit, waar hij onlangs afstudeerde. Tegen het einde van zijn studie werd hij actief als bestuurslid bij TANS, een netwerkorganisatie voor talentvolle Marokkaanse jongeren. “Toen de discussie over de Marokkaanse gemeenschap oplaaide, voelde ik de behoefte om maatschappelijk actief te worden. Ik zocht een club die bij me paste en vond die in TANS.”

Via TANS hoorde Chébti dat de SER leden zocht voor het jongerenpanel. “De SER is een belangrijk instituut in Nederland”, glimlacht Chébti die geselecteerd werd om als onafhankelijk lid op te treden in het panel. “Alle sociaaleconomische belangen die in ons land spelen, komen hier samen. Het is uniek in de wereld dat jongeren via dit panel zo hun stem kunnen laten horen.”

Het valt Chébti op dat er soms beleid wordt gemaakt zonder dat men goed weet hoe het er in de praktijk aan toe gaat. “Daarom vind ik het krachtig van de SER om jongeren bij vraagstukken te betrekken. In het geval van de maatschappelijke stage ontstaat er zo toch een veel breder draagvlak. Als jongerenpanel hebben wij met verschillende partijen gesproken: scholen, vrijwilligersorganisaties en andere stageaanbieders, scholieren en stagebemiddelaars. Door kennis te nemen van hun ervaringen, hebben we goed inzicht gekregen in wat er speelt rond dit thema.”

“Tijdens onze vergaderingen benaderden de panelleden het thema ieder vanuit een eigen gezichtspunt. Vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties keken vooral naar het belang van en de invloed op de ontvangende organisatie. Zij stelden voorop dat de stage praktisch moest zijn en maatschappelijk nut moest hebben. Vertegenwoordigers van werknemers keken meer vanuit het perspectief van de leraar en hechtten belang aan de invloed die de stage heeft op een scholier. Ik vond het interessant om te zien hoe die discussie zich ontwikkelde. Het was mijn uitdaging ervoor te zorgen dat iedereen zich uiteindelijk kon vinden in gezamenlijke standpunten.”

Voorzitter Hans Kamps zorgde ervoor dat de vergaderingen ordentelijk verliepen. Volgens Chébti moest Kamps regelmatig ingrijpen om de discussie op het juiste spoor te krijgen. Zelf heeft Chébti veel van hem geleerd. “Na de vergadering had ik altijd even contact met hem om te sparren over hoe de discussie verliep. Hans Kamps is een goede coach. Hij vertelde me hoe ik me moest opstellen als onafhankelijk lid tegenover de werkgevers en werknemers. Hij adviseerde me om eerst goed te luisteren naar de standpunten van beide partijen en dan pas zelf te reageren, omdat ik anders mijn munitie zou verschieten.”

“Wanneer ik beide kanten had gehoord, moest ik heel snel de kernpunten analyseren. En als de discussie vastliep, konden we overschakelen naar de specialist. Bij ons was dat Lucas Meijs, hoogleraar Vrijwilligerswerk en civil society aan de Erasmus Universiteit. Zo’n overschakeling gaf iedereen dan even ruimte om na te denken.”

Het jongerenpanel is een experiment dat volgende maand geëvalueerd gaat worden. Voorop blijft staan dat de SER jongeren – evenals andere ‘outsiders’ – bij het SER-werk wil betrekken. Maar het is mogelijk dat dit in een andere vorm wordt voortgezet. Over welk onderwerp zou het dan moeten gaan? Over integratie? “Ja, waarom niet”, reageert Chébti. “Ik zou graag zien dat de discussie daarover veel meer een debat wordt over de vraag hoe je omgaat met andersdenkenden. Als je op die manier eerst een kader bepaalt, kun je daarna makkelijker tot standpunten komen over onderwerpen als ‘het dragen van hoofddoeken’ en ‘gezinshereniging’.”

Maar hij is realistisch over de kans om dit onderwerp op de agenda te krijgen. “Het is maar de vraag of de SER dit ook een geschikt thema voor een jongerenpanel vindt. En persoonlijk vind ik een discussie over ouderenzorg, de kwaliteit van het onderwijs en het energiebeleid minstens zo belangrijk.”


 

....

 

 

 

 

 


....

 

 

x

Doorzoek website